Wanneer is iemand onveilig gehecht?

Wanneer (heel) jonge kinderen zich niet goed aan een ouderfiguur kunnen hechten, kan dit in het latere leven tot grote problemen in de omgang met anderen leiden. Voor een normale omgang met anderen en voor het aangaan van relaties is het nodig om in je jeugd een veilige hechting te hebben gehad met een ouderfiguur (Bowlby).

In een normale populatie is 58% van de ouders (moeders én vaders) veilig gehecht. In klinische (op ziekteverschijnselen betrekking hebbende) groepen is dat slechts 7%.

Bowlby verbond onveilige hechting aan psychopathologie (afwijkend gedrag) en centraal in zijn model staat angst. Wie onveilig gehecht is, is volgens hem kwetsbaarder voor psychische problemen zoals depressies en angststoornissen.

Hechting is van belang voor de overleving van de soort en verhoogt de kans op overleven van het individu en de soort. Hechtingsgedrag is dus doelgericht evolutionair gedrag en als zodanig verankerd in de biologie van de mens.

Hechtingsgedrag is gedrag dat kinderen en volwassenen tonen in de vorm van bijvoorbeeld zoekgedrag, huilen en roepen als zij gescheiden worden van de bron van de ouders. Aan de hand van dat gedrag is te zien in welke mate iemand (on)veilig is gehecht.

Criteria die een rol spelen bij het bepalen van de mate van gehechtheid zijn de mate van remmingen in het gedrag, de mate van niet-onderbouwde idealisering van de ouders, de mate van problemen in de relatie met de ouder, de mate van geheugentekort, de mate van beperkt gevoel, de mate waarin zaken als ‘normaal’ worden gezien, de mate waarin tegenspraak wordt geduld en de mate waarin men boos is.

Uitingsvormen en overtuigingen geven een beeld van iemands jeugd. Mensen die niet het geluk hebben gehad een emotioneel gezonde jeugd te hebben gehad (ongeveer 40% van de volwassenen) vertonen doorgaans controlegedrag (wat veel verschillende uitingsvormen kent), hebben een geïdealiseerd beeld van hun opvoeding, kunnen zich niet alles meer herinneren of hebben pas vanaf een latere kinderleeftijd herinneringen, leven voornamelijk op hun ratio (waardoor men piekert en niet weet wat men wil of wat men het beste kan doen of kan kiezen) en hebben een groter-dan-gemiddelde angst voor afwijzing en verwijten.

Als je je realiseert dat ongeveer 40% van de volwassenen (en dit is wereldwijd) op de een of andere manier in diens jeugd lichamelijk of geestelijk is mishandeld, affectief, emotioneel dan wel pedagogisch is verwaarloosd, psychisch terreur heeft meegemaakt of het slachtoffer is geweest van seksueel of emotioneel misbruik, is het niet moeilijk voor te stellen dat dit tot onveilige hechting leidt. Doorgaans is tegelijkertijd sprake van verschillende vormen van mishandeling en/of misbruik en/of verwaarlozing.

Mensen die zich in hun jeugd niet veilig hebben kunnen hechten, hebben zich ook niet kunnen ‘onthechten’. Zij hebben hoegenaamd geen puberteit gehad waarin zij zich emotioneel konden losmaken van hun ouders. De consequenties hiervan zijn de rest van hun leven merkbaar; de uitingsvormen hiervan zijn divers. En die uitingsvormen kunnen zowel een te grote binding als een te grote afstand inhouden. Beide beïnvloeden het aangaan en onderhouden van een relatie.

Kortom: mensen die op de een of andere manier niet een emotioneel gezonde opvoeding hebben gehad (en dat betreft ongeveer 40% van de volwassenen), hebben een grotere kans op een onveilige hechting tijdens hun jeugd. Dit beïnvloedt het aangaan en onderhouden van relaties.

[contentblock id=3 img=gcb.png] [contentblock id=4 img=gcb.png] [contentblock id=7 img=gcb.png] [contentblock id=6 img=gcb.png]