Loslaten van patronen van vroeger: voorbeelden

Loslaten van patronen van vroeger. Ik krijg regelmatig de vraag of ik voorbeelden kan noemen van het loslaten van patronen van vroeger. Mensen hebben daar geen voorstelling bij, wat ik me goed kan indenken. 

Onder patronen van vroeger versta ik affectieve verwaarlozing, emotioneel en seksueel misbruik, geestelijke en lichamelijke mishandeling, pedagogische mishandeling en verwaarlozing en het getuige zijn van geweld.

Deze patronen van vroeger kennen een oneindige diversiteit aan specifieke uitingsvormen. Het is niet mogelijk om hier een limitatieve opsomming van te geven. Andersom is voor mij wel mogelijk: om van specifiek gedrag aan te geven of het affectieve verwaarlozing e.d. betreft. 

Ik zal nu voorbeelden geven van hoe gedrag, voortvloeiend uit patronen van vroeger, er uit kan zien:

– onjuiste interpretaties. Mensen die in de jeugd met patronen van vroeger te maken hebben gehad, doen, zonder dat zij dat doorhebben, onjuiste interpretaties. Gemiddeld worden tijdens een gemiddelde Eendaagse Coaching tussen de 20 en 80 onjuiste interpretaties inzichtelijk. Dat kan gaan om een omgekeerde oorzaak-gevolg dan men denkt: datgene waarvan men denkt dat het het gevolg is, blijkt de oorzaak te zijn. Een ander veel voorkomend voorbeeld is dat men linken legt die onjuist zijn. Ook worden er onterechte beschuldigingen naar anderen gedaan. De woordjes ‘daardoor’ en ‘waardoor’ en ‘doordat’ worden vaak onjuist gebruikt. 

– men weet of herkent niet het eigen aandeel (in bijvoorbeeld een machtsstrijd of echtscheiding of slechtlopend contact met broers/zussen, ouders, kinderen, collega’s, vriend(inn)en e.d.).

– men toont verbaal en non-verbaal gedrag waarvan men zich niet bewust is.

– niet de juiste betekenis van woorden kennen. Zo gebruikt men bijvoorbeeld niet altijd het woord ‘jaloers’ juist en kent men niet het specifieke onderscheid tussen jaloers zijn en iemand benijden. Als je jaloers bent, misgun je de anders iets/iemand. Als je iemand benijdt, misgun je het de ander niet maar wil je het gewoon óók. Voorbeeld: je bent dol op ijs en ziet iemand een ijsje eten en je hebt geen geld bij je. Als je jaloers bent, wil jij een ijsje én misgun je het de ander. Als je jaloers genoeg bent, pak je het ijsje van de ander af. Jaloezie ontstaat vaak in vechtrelaties: dat men elkaar het licht in de ogen niet gunt. Als je niet jaloers bent, wil je ook een ijsje, maar misgun je tegelijkertijd die ander niet diens ijsje. Je kunt het dan verdragen dat de ander een ijsje heeft en jij niet; je wilt er graag ook een. In een relatie is het verschil tussen jaloezie en benijden belangrijk, omdat de ander merkt in hoeverre je hem of haar iets misgunt of gunt. Een ander voorbeeld van het niet de juiste woordbetekenis kennen is dat iemand zegt dat assertief reageren inhoudt dat je onmiddellijk zou moeten reageren, maar dit onmiddellijk reageren blijkt impulsief reageren te betreffen. Assertiviteit houdt in dat je in staat bent voor jezelf op te komen; het tijdstip waarop hangt van de situatie af. Het hoeft zeker niet onmiddellijk en is dat vaak ook af te raden. Wat men zelf voor assertiviteit hield, blijkt impulsiviteit te zijn. Afijn, de voorbeelden zijn oneindig. 

– iemand heeft niet altijd diens eigen starheid door, zoals bijvoorbeeld: “Afspraak is afspraak”. 

– in irreële dingen geloven, zoals bijvoorbeeld dat men recht heeft op vertrouwen en respect van andere mensen, terwijl je vertrouwen en respect alleen zelf kunt géven. Je kunt het nooit van iemand anders verlangen en voor zover je dat wel doet, creëer je doorgaans je eigen teleurstelling. Het is vaak net andersom: doordat je zelf vertrouwen en respect geeft, ga je het op enig moment terugkrijgen. 

– als wordt doorgevraagd op dingen waar men zelf in zegt te geloven, blijkt dat dit niet altijd zelf wordt nageleefd. 

– tussenwoordjes als ‘dan’, ‘wel’, ‘toch’, ‘eigenlijk’ kunnen aangeven wat betrokkene juist niet zegt. Bijvoorbeeld: “Ik vind dat wel leuk” ontlokt bij mij de vervolgvraag: Wat vind je er niet leuk aan? Iets ‘wel leuk’ vinden is iets niet heel leuk vinden. Dan blijkt vaak dat betrokkene het eigenlijk helemaal niet zo leuk vond, maar er bijvoorbeeld toe verleid of toe gedwongen werd of dat er andere onderliggende redenen zijn om het gedrag toch te vertonen. 

– niet inzien hoe een bepaalde opmerking je geraakt heeft. Als iemand aangeeft dat een bepaalde opmerking van de ouders hem vroeger niet geraakt heeft, is het uit zichzelf maken van de opmerking dat hij daardoor niet geraakt is, door het maken van die opmerking al een uiting van het tegendeel. Als betrokkene namelijk echt niet geraakt zou zijn door die opmerking vroeger door de ouders, zou hij er namelijk helemaal geen opmerking over hebben gemaakt. 

– men heeft de specifieke uitingsvormen van de eigen redderrol niet door.

– men heeft niet door hoe men op zijn/haar beurt de eigen kinderen emotioneel misbruikt, affectief verwaarloost en geestelijk mishandelt. 

– het woordje ‘moeten’ dat enerzijds een allergie kan zijn, terwijl men niet door heeft wat men allemaal van zichzelf moet.

– men legt verbanden tussen twee aspecten waar op zich geen verband tussen bestaat, bijvoorbeeld: “Ik heb altijd dat wantrouwen gehad, dat met die kwaadheid gepaard gaat.” Men denkt zelf oprecht dat twee aspecten met elkaar te maken hebben, waar het bij doorvragen om verschillende aspecten blijkt te gaan.

– niet door hebben dat men zichzelf belemmerende voorwaarden oplegt voor herstel, bijvoorbeeld: eerst moet ik dit en/want daarna kan pas dat

– dat men weet dat vooral een van de ouders de oorzaak van het huidige malheur is, terwijl beide ouders een even groot aandeel hebben. Het aandeel van de ene (vaak dominante of autoritaire) ouders is echter voor betrokkene als kind meer zichtbaar geweest. Het gedrag van de andere ouder blijkt in de jeugd even beschadigend te zijn geweest, maar was voor het kind niet zichtbaar. 

– hierop aansluitend houdt men over zeker een van de ouders een illusie in stand. Zolang deze illusie niet wordt doorgeprikt, blijft men zich tot voor haar/hem ongeschikte partners aangetrokken voelen.

– men denkt vaak onterecht dat men geen interesses en hobby’s heeft, waar men er gedurende de Eendaagse Coaching wel een stuk of drie-vier opnoemt die men leuk vindt, maar niet doet. Men kent de eigen belemmeringen en blokkades niet waarom men niet de dingen doet die men het liefst zou willen doen. De blokkades en belemmeringen werken zo ver door dat men inmiddels vergeten lijkt te zijn wat men echt leuk vindt. 

– een te positief beeld hebben over eigen deugden. Een voorbeeld is waar iemand zegt bereidwillig naar andere te zijn, terwijl men tegelijkertijd voorwaardelijk gedrag vertoont, wat die bereidwilligheid minder onbaatzuchtig maakt dan men zelf dacht. Onbewust doet men het dan omdat het betrokkene zelf wat biedt. De reactie van de ander blijkt dan logisch en transparant gedrag te zijn op het eigen voorwaardelijke gedrag. 

– men herkent haar/zijn eigen voorwaardelijke gedrag niet, dat wil zeggen dat men niet iets voor de ander doet maar onbewust voor het eigen bestwil.

– men weet niet wat men met haar/zijn leven, relatie of werk wil.

– over de eigen jeugd kan men te streng zijn voor zichzelf, bijvoorbeeld: “Ik was net zo fout”.

– men heeft niet door in hoeverre de kinderen in het gezin van herkomst onbewust tegen elkaar werden uitgespeeld. 

– men praat eufemistisch over het eigen gedrag, bijvoorbeeld “Buiten spelen” als men het over vreemdgaan of overspel heeft.

– men veroordeelt in de ander gedrag wat men zelf ook graag zou willen maar voor zich zelf heeft weggestopt (het Johari-window).

– men wil gelukkig wórden, wat in essentie niet kan, omdat je alleen gelukkig kunt zijn, nu, op dit moment. Als je het op dit moment niet bent, zul je het ook nooit wórden. 

– men ontkent degene te zijn die men nu is: “Dat ben ik niet”. Ik stel vervolgens de vraag: wie wil je zijn? hoe wil je zijn? wat wil je zijn? waarna we vervolgens de belemmeringen inzichtelijk maken waarom dat tot nu toe nooit gerealiseerd werd of kon worden. 

– men heeft een aantal praktische vaardigheden niet kunnen ontwikkelen. Dat zijn er velerlei: van een emotioneel gezonde gespreksvoering, tot hulp vragen, van het leggen van contacten en het ontwikkelen en behouden van vriendschappen, tot het spreken in het openbaar. 

– men kent niet het onderscheid tussen autonomie en privacy.

– men weet in een aantal gevallen niet de eigen grenzen aan te geven.

– men heeft niet door als men naar anderen toe onbegrensd is, waardoor men ongewenste reacties van de ander uitlokt. 

– men weet niet in welke gevallen het beter is je verlies te nemen en voor welke zaken je er goed aan doet om er voor te gaan of er voor te vechten. 

– humor in de jeugd bleek vrijwel altijd cynische humor te betreffen en ten koste van iemand anders te gaan. Uitingen van trots in de jeugd bleken vrijwel altijd voorwaardelijke trots te zijn en werd alleen geuit als er andere mensen bij waren, waardoor het op de ouders afstraalde. Spelletjes die met de kinderen werden gespeeld betroffen vaak enkel en alleen de spelen die de ouders wilden spelen, waarbij het kind mocht meespelen met de ouders. 

– het avondeten bleek niet echt een gezellige bedoening.

– er werd vaak niet de ruimte gevoeld om de ouders vragen te stellen. 

– er werd vaak een onopvallende rol aangenomen, om maar zo weinig mogelijk afwijzing te krijgen of om de ouders niet nog meer ‘last’ te bezorgen. 

– men beschikt over “enorme wilskracht” of over “doorzettingsvermogen” maar zet dit op de verkeerde momenten en in de verkeerde situaties in, waardoor het zich tegen betrokkene keert. 

– men schat eigen specifieke capaciteiten of vaardigheden te laag of te hoog in.

– men herkent niet de uitingsvormen van de eigen slachtofferrol.

– men herkent niet het eigen eventuele pleasegedrag.

– men herkent niet het eigen controlegedrag.

– men weet niet hoe het eigen perfectionisme is ontstaan.

– men uit irreële wensen, bijvoorbeeld: “Ik wil iedereen kunnen vertrouwen” waar het er om gaat te kunnen inzien wie je wel en wie je niet kunt vertrouwen, en in welke situaties en omstandigheden. Het weten wanneer je wie kunt vertrouwen begint met het hebben van een reëel zelfbeeld en met het hebben van zelfvertrouwen

– men heeft geen zicht op de angsten en belangen van andere mensen. 

– men heeft niet door hoe men andere mensen op een voetstuk heeft gezet. 

– men heeft het belangenspel binnen een organisatie niet door.

– men kent niet altijd de eigen functietypering,  weet niet altijd wat het eigen takenpakket omvat ( en wat daar niet bijhoort), heeft niet een heldere opdracht, kent niet de afspraken die zijn gemaakt.

– men heeft niet door hoe het eigen te grote verantwoordelijkheidsgevoel doorspeelt in een te grote werklast.

– men heeft de eigen projecties niet door. 

– men overschat de mate van bewustzijn bij anderen (en denkt dat andere mensen dingen opzettelijk doen). 

– men heeft niet altijd de eigen zwart-wit-opmerkingen en alles-of-niets-opmerkingen door. 

– men gaat uit van iemands bedoelingen en intenties, in plaats van van iemands feitelijke gedrag als resultaat van die bedoelingen en intenties. 

– men weet niet waarom men niet tot keuzes of beslissingen kan komen.

– men heeft niet door wanneer men ongevraagd advies geeft.

– men heeft geen zicht op de omslagpunten die voorafgegaan zijn aan burn-out of depressie

– men heeft niet altijd door dat men een oneigenlijke reden (cirkelredenering, drogreden, etc.) aanvoert voor bepaald gedrag. 

– men heeft de eigen zelfverloochening niet door. 

– men heeft signalen (in de relatie, op het werk) gemist en andere signalen die men wel had gezien, niet serieus genomen. 

– men heeft het eigen overlevingsgedrag,  de ontwikkelde beschermingsmaatregelen en vermijdingsgedrag niet door.

– men heeft de belangenverstrengeling en rolverwarring van bevriende professionals niet door.

– men heeft een onjuist zelfbeeld.

– men verwart gevoeligheid en hoogsensitiviteit met elkaar.

– men heeft niet door hoe men zelf de reactie van de ander heeft veroorzaakt/uitgelokt/organiseert.

– men stelt niet de juiste vragen en stelt de vragen niet op de juiste manier of op het juiste moment.

– men handelt niet doelgericht.

– men handelt niet oplossingsgericht.

– men heeft niet door hoe men, datgene waar men zich over beklaagt of over klaagde, zelf in stand houdt.

 – men heeft een onjuist beeld over de functie , het doel en de werkzaamheid van ‘vergeving’. 

Dit niet-volledige overzicht heb ik ontleend aan de laatste zes Eendaagse Coachingen. 

Kortom: het is logisch dat je vanuit je patronen van vroeger geen inzicht hebt in de gevolgen die die patronen van vroeger op je gedrag hebben. Dat zijn blinde vlekken. En daar kan ik je vanaf helpen. 

[contentblock id=3 img=gcb.png] [contentblock id=4 img=gcb.png] [contentblock id=5 img=gcb.png]

 

 

Gerelateerde artikelen

Leer anderen loslaten...