Loslaten van een machtsstrijd

Loslaten van een machtsstrijd vergt allereerst inzicht in de onderliggende oorzaken ervan. Van een machtsstrijd is sprake als je het nodig vindt om gelijk te krijgen van de ander. Als beide partijen dat willen, is er sprake van een machtsstrijd.

Relaties waarbinnen van emotionele pijn en onrust sprake is, zijn ongelijkwaardige relaties, met dominanter gedrag bij de ene partner en ondergeschikter gedrag bij de andere partner. Het hoeft niet zo te zijn dat de ene partner altijd de dominante en de ander altijd de ondergeschikte partner is. Vaak is dat wel zo, maar dat hoeft dus niet. Het kan ook zijn dat de dominante rol en de ondergeschikte rol op bepaalde momenten of in bepaalde situaties tussen de partners wisselen.

Een machtsstrijd is voor beide partners een poging om de onbewuste ongelijkwaardigheid aan te vechten in een onbewuste poging de relatie ‘gelijkwaardig’ te maken. Dit kan niet, omdat de ongelijkwaardigheid ingebakken zit in de relatie, omdat de andere partner er zelfs onbewust op is uitgekozen. Een machtsstrijd is ook een poging van beide partners om controle te behouden, controle die men in de eigen jeugd vaak heeft ontbeerd.

De ongelijkwaardigheid binnen de relatie is niet een constante, omdat deze ongelijkwaardigheid regelmatig bij de ander wordt bevochten. Hier spelen twee aspecten, door elkaar, een rol. Het ene aspect is het gelijk willen krijgen van de ander. Het andere aspect is de rol van beide partners, zoals de slachtofferrol of de redderrol/ouderrol/therapeutenrol.

Het gelijk willen krijgen van de ander is feitelijk het alsnog willen bevechten van het gelijk van de eigen ouders. Als kind was het niet mogelijk om deze machtsstrijd met de ouders aan te gaan, waardoor de terechte boosheid over het aangedane onrecht toen moest worden weggestopt. Emoties laten zich echter niet wegstoppen, waardoor ze er te pas en te onpas alsnog uit kunnen komen. Die vroeger weggestopte emoties komen er alsnog uit tegenover mensen die onze vroeger weggestopte boosheid tegen onze ouders triggeren. Vooral mensen die ons na staan, kunnen dat bij ons triggeren, en dat zijn de partner en onze kinderen.

Dat in de eigen jeugd de emoties niet konden worden toegelaten komt omdat dat op de een of andere manier ontmoedigd werd. Bijvoorbeeld doordat er sowieso geen ruimte voor was, of omdat je belachelijk werd gemaakt. Ook werd er nooit over gevoelens en dergelijke gesproken. Ze leken wel niet te mogen bestaan. Ook voelde je als kind onbewust aan dat je toch niet bij je ouders terecht kon voor je emoties, want een van je ouders had het al zo moeilijk. En de andere ouder was misschien autoritair.

Iemand die van haar ouders in haar jeugd niet de ruimte heeft gekregen om emoties toe te laten en om normale gesprekken aan te gaan met haar ouders, zal later alsnog haar gelijk willen halen bij de partner. Deze vroeger niet toegelaten en daardoor nooit verwerkte emoties maken het op een gegeven moment onmogelijk om meningen uit te wisselen. Overtuigd van de eigen waarheid en overtuigd van ‘feiten’ probeert men de ander hiervan te overtuigen, het de ander te doen inzien, het de ander te doen realiseren of beseffen. Een gelijkwaardig gesprek is zo niet meer mogelijk, omdat men niet in staat is om in te zien dat feiten en waarheden eigenlijk niet bestaan, alleen maar afspraken daarover. In feite communiceert men nu met de partner zoals de ouders vroeger met jou als kind hebben gecommuniceerd.

Bij een machtsstrijd zijn beide partijen overtuigd van hun eigen gelijk, waarbij het hebben van het eigen gelijk niet voldoende is, want de ander moet niet alleen per sé overtuigd worden van het eigen gelijk, maar de ander moet ook toegeven dat hij ongelijk heeft. Beide partijen zijn niet in staat te beseffen dat die ‘feiten’ en ‘waarheid’ niet meer zijn dan meningen, die naast elkaar kunnen bestaan.

Beide partijen doen aan zwart-wit-denken en aan alles-of-niets-denken, waardoor ze niet of nauwelijks in staat zijn om genuanceerd of tussen deze uitersten in te denken. Bovendien zijn ze gevoelig voor afwijzing. Als de ‘waarheid’ van de een ten koste gaat van de ‘waarheid’ van de ander, wordt dit door beide partijen als afwijzing ervaren. Dat dit zo ervaren wordt is omdat beide partijen de ander willen overtuigen van diens eigen gelijk, waardoor er in essentie één van beiden ongelijk zou moeten hebben. Dit ongelijk krijgen van de ander wordt als afwijzing ervaren, waardoor beide partijen enorm gemotiveerd zijn om voor hun eigen gelijk te vechten, tot het obsessieve toe. Tenslotte is het voor beide partijen makkelijker om af te wijzen dan om afgewezen te worden. En zo ontstaat een carrousel van elkaar overtroevende verwijten en onbegrip.

Hierbij spelen het inhoudsniveau en het betrekkingsniveau een rol. Een ruzie of een conflict kunnen over belangrijke of over onbelangrijke zaken gaan. Zelfs zo onbelangrijk dat beide partijen naderhand soms niet meer weten waarover de ruzie ook al weer was begonnen. Dat men de inhoud niet altijd meer weet of dat de inhoud onbetekenend is, komt omdat het feitelijk ook niet over de inhoud ging, maar over het betrekkingsniveau: de bejegening door de ander. Men voelde zich op de een of andere manier niet serieus genomen, of niet gehoord. Dit niet serieus genomen of niet gehoord worden, raakt een gevoelige snaar omdat het een herhaling is van vroeger. Het is dan ook deze gevoelige snaar die bij beiden door de ander geraakt wordt. De oorzaak van het conflict ontstaat dan op betrekkingsniveau (zich niet serieus genomen voelen) en wordt vervolgens uitgevochten op inhoudsniveau (de aanleiding van het conflict).

Het andere aspect betreft de rollen van beide partners. Iemand die emotionele pijn en onrust in een relatie ervaart, voelde zich aangetrokken tot een partner die op de een of andere manier aandoenlijk of vertederend overkwam. Onbewust voelt men zich dan aangetrokken tot een partner die men kan helpen, redden of verzorgen. Deze redderrol is ontstaan toen men als kind zag dat een van de beide ouders het niet aankon of verdrietig was. Men had te doen met deze ouder. Dit te doen hebben wordt onbewust een criterium bij de partnerkeuze, waardoor men op iemand valt met wie men te doen heeft. Vandaar dat de ander op de een of andere manier hulpbehoevend moet overkomen. Zo ontstaat er een ongelijkwaardige relatie tussen iemand in de redderrol en iemand in de rol van het geholpen willen worden.

Door de redderrol van de een, die zich gedraagt als in een ouderrol, komt de ander als het ware in een kindrol terecht. Dit wordt helder weergegeven middels de Transactionele Analyse, waarbij de ouderrol van de een de kindrol van de ander uitlokt. En de kindrol van de een lokt weer een ouderrol van de ander uit. Geen van beiden zijn in staat tot een volwassenrol. Beide partners herhalen met en bij elkaar de ongelijkwaardigheid die er ook was in het huwelijk van ieders eigen ouders. Dergelijke patronen worden onbewust en onbedoeld van de ene op de andere generatie doorgegeven.

Van een volwassenrol is sprake als niet het eigen gelijk bevochten hoeft te worden, als gezocht wordt naar gemeenschappelijkheid of als geprobeerd wordt inzicht te krijgen in ieders belangen of angsten, waarna die in overleg worden afgewogen en op grond waarvan in overleg een besluit wordt genomen. Er is in dat geval ook geen machtsongelijkheid die bevochten hoeft te worden. Als de ene partner in staat is om een volwassenrol aan te nemen, wordt de kans kleiner dat de ander in de kindrol of in de ouderrol stapt, waardoor de kans groter wordt dat uiteindelijk ook de ander een volwassenrol aan kan nemen. Op deze manier kan men het gedrag van iemand anders wel degelijk positief beïnvloeden. Tot dan toe werd geprobeerd de ander te overtuigen en te veranderen. Dat is niet mogelijk omdat het alleen mogelijk is om jezelf en om je eigen aandeel in iets te veranderen. Iemand anders veranderen is niet mogelijk; iemand anders positief beïnvloeden is gelukkig wel mogelijk en dat begint met het veranderen van het eigen aandeel in de machtsstrijd: je eigen kindrol of ouderrol.

Voor een machtsstrijd zijn twee mensen of twee partijen nodig. Als één van beiden uit de machtsstrijd stapt, is er geen machtsstrijd meer. Het probleem bij een machtsstrijd is echter dat beide partijen de ander verwijten wat ze zelf doen: afwijzen en niet serieus nemen. Dat geen van beide partijen zich aan de machtsstrijd kan onttrekken, komt door de vroeger niet geuite emoties, waardoor, onbewust, de vroeger niet gestreden strijd met de eigen ouders vele jaren later alsnog met de partner wordt gevoerd.

Voor het leren uit een machtsstrijd stappen zijn twee dingen nodig. Enerzijds is nodig dat geleerd wordt hoe de vroeger nooit geuite emoties alsnog kunnen worden toegelaten op een manier dat dit louterend werkt. Anderzijds is nodig om een constructieve, functionele en emotioneel gezonde gespreksvoering te ontwikkelen door het aanleren van praktische communicatieve vaardigheden.

Kortom: een huidige machtsstrijd heeft zijn voedingsbron en oorsprong in de eigen jeugd. Een machtsstrijd kan alleen worden beëindigd door naar de eigen rol daarin te kijken. Alleen als je je eigen rol verandert in een volwassenrol, verandert de rol van de ander ook.

[contentblock id=3 img=gcb.png] [contentblock id=4 img=gcb.png] [contentblock id=5 img=gcb.png]